Het Gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat de Nederlandse kansspelbelasting op kansspelautomaten niet in strijd is met het Europees recht. Daarmee bevestigt het hof opnieuw dat de heffing over het bruto spelresultaat juridisch standhoudt. Die lijn werd al ingezet met het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2014.
Heffing over bruto spelresultaat blijft overeind
Sinds 1 juli 2008 betalen exploitanten van gokkasten kansspelbelasting over het volledige brutospelresultaat. Daarvoor viel de sector onder de omzetbelasting. De wijziging leidde tot een reeks juridische procedures over onder meer eigendomsbescherming, het discriminatieverbod en de verhouding tot het Europese recht.
Volgens het Gerechtshof Den Haag vormt de belasting geen ongeoorloofde beperking van het vrije verkeer van diensten en is zij ook geen verboden omzetbelasting in de zin van artikel 401 van de btw-richtlijn. Het hof wijst erop dat de heffing niet voldoet aan de vier kenmerken van de btw: zij is niet algemeen van toepassing, niet evenredig aan de prijs, wordt niet in iedere productiefase geheven en kent geen systeem van vooraftrek.
Ook het beroep op het discriminatieverbod wordt afgewezen. Volgens het hof bevinden exploitanten van kansspelautomaten zich feitelijk en juridisch in een andere positie dan exploitanten van behendigheids- en kermisautomaten. Een verschil in fiscale behandeling is daarom volgens het hof gerechtvaardigd.
Hoge Raad legde de basis
De uitspraak sluit aan bij het arrest van de Hoge Raad uit 2014. Daarin werd al geoordeeld dat de kansspelbelasting over het brutospelresultaat een legitiem doel van algemeen belang dient en op zichzelf niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Sindsdien draaien procedures vooral om de vraag of individuele exploitanten door de belasting met een buitensporige last worden geconfronteerd.
Ook binnen de Europese rechtspraak past de uitspraak in een bestaande lijn. Zo oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-591/15 uit 2017 dat een gokbelasting op basis van het brutospelresultaat niet in strijd hoeft te zijn met het vrije verkeer van diensten, zolang die zonder onderscheid wordt toegepast op binnenlandse en buitenlandse aanbieders. Die uitspraak geldt ook in Nederland als een belangrijk juridisch uitgangspunt. Ook in andere Europese kansspelzaken blijft de verhouding tussen nationale regelgeving en het EU-recht een terugkerend thema, zoals recent bleek in de Tipico-zaak over de mogelijke terugvordering van Duitse gokverliezen.
Weinig ruimte voor nieuwe procedures
Volgens fiscale deskundigen wordt de ruimte om de kansspelbelasting succesvol aan te vechten op basis van het EVRM of het Europese recht steeds kleiner. De Nederlandse rechtspraak laat inmiddels een duidelijke en consistente lijn zien: de heffing is in beginsel rechtmatig en principiële bezwaren tegen het stelsel maken weinig kans.
Brancheadviseurs zien daarom dat exploitanten hun aandacht steeds vaker verleggen van rechtszaken naar bedrijfseconomische maatregelen, zoals het optimaliseren van locaties en het verlagen van kosten. Daarbij speelt ook mee dat de aangekondigde evaluatie van de kansspelbelasting de politieke discussie verder kan aanwakkeren. Tegelijkertijd blijft ook de discussie over de gevolgen van de hogere kansspelbelasting voor de sector volop gaande. Voor veel exploitanten lijken die politieke ontwikkelingen op dit moment relevanter dan nieuwe juridische procedures.
Exploitanten kunnen nog in cassatie bij de Hoge Raad, maar de kans op succes is klein. De beste mogelijkheid is om aan te tonen dat de kansspelbelasting in een individueel geval een buitensporig zware last oplevert. Daarvoor is wel een uitgebreide onderbouwing nodig.